NIEUWE LANDELIJKE ISOLATIESTANDAARD VOOR BESTAANDE WONINGEN

Het isoleren van de vloer, de muren en het dak van woningen is een belangrijke stap in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Maar hoeveel isolatiemateriaal is er dan precies nodig? Daar probeert de overheid met een nieuwe “Standaard” richting aan te geven. In een recente Kamerbrief wordt deze nieuwe isolatiestandaard beschreven. 

De Standaard geeft een doel aan ten aanzien van de maximale warmtevraag van een woning. De warmtevraag is de hoeveelheid energie die nodig is voor het verwarmen van de woning. De Standaard probeert hiermee een antwoord te geven op de vraag: “Hoever moet ik isoleren?” Het biedt daarmee handelingsperspectief voor huiseigenaren die (stapsgewijs) willen verduurzamen. De waarde van de Standaard wordt in kWh warmte per m2 weergegeven. Wat de doelwaarde voor een woning is, hangt af van een aantal factoren, bijv.: Is de woning een eengezinswoning of een appartement? en: Hoe oud is de woning? De Standaard wordt overigens niet verplicht. 

Over het algemeen zal een naoorlogse woning met de Standaard ongeveer tot een label A of B (zonder zonnepanelen) komen. Voor vooroorlogse woningen is het vergelijkbaar met label D (zonder zonnepanelen). Bij het behalen van de Standaard is een naoorlogse woning normaal gesproken klaar voor een aanvoertemperatuur van 50 graden voor de cv, bijv. uit een warmtenet. Een vooroorlogse woning is klaar voor een aanvoertemperatuur van 70 graden. 

De Standaard geeft aan hoe laag de warmtevraag van de woning als geheel moet zijn, maar geeft geen antwoord op de vraag hoe goed individuele componenten geïsoleerd moeten zijn. Daarvoor dienen de bijbehorende “Streefwaarden”. Die geven richting aan de isolatie van individuele componenten zoals dak, vloer en muren. De Streefwaarden geven de optimale kwaliteit aan die voor componenten behaald kunnen worden. Dit zijn isolatiewaarden vergelijkbaar met die van met nieuwbouwwoningen. Als alle streefwaarden worden behaald, wordt de warmtevraag van de woning tot ruim onder de Standaard gereduceerd. 

De Streefwaarden geven dus een soort maximale isolatiewaarde. In de praktijk zal dit voor verschillende componenten niet de meest logische of economisch meest interessante waarde zijn. Dat komt omdat zoveel extra isoleren soms praktisch lastig is (denk aan het plaatsen van een extra buitenschil om de woning) en ook niet eenvoudig terugverdiend kan worden op de energierekening. Het eenvoudigste kan dan ook aan de Standaard worden voldaan door alle individuele componenten redelijk te isoleren, in plaats van sommige componenten naar de Streefwaarde te isoleren. 

Vaak wordt door woningeigenaren gevraagd wat “spijtvrije maatregelen” zijn, in afwachting van een alternatief voor aardgas. De Standaard en de Streefwaarden geven een soort van landelijk afgestemd antwoord op die vraag. Om een beeld te geven van de hoogte van de Standaard, zijn hieronder de vastgestelde waardes van de Standaard weergegeven. 

Type woningWarmtevraag (kWh/m2)
Eengezinswoning, voor 1945≤ 60
Eengezinswoning, na 1945≤ 43
Meergezinswoning, voor 1945≤ 95
Meergezinswoning, na 1945≤ 45

Het bepalen van de warmtevraag dient te gebeuren door middel van een energieberekening van een woning, waarin de vorm van de woning, het verliesoppervlak en isolatiewaardes worden meegenomen. Een grove indicatie van de huidige warmtevraag van een woning kan verkregen worden door de totale gasvraag van de woning te delen door het vloeroppervlak en te vermenigvuldigen met 9. Let op: dit geeft alleen een goede indicatie als de gehele woning wordt verwarmd, en niet bijvoorbeeld alleen de woonkamer. 

Comments are closed.